Inkomsten uit parkeren stijgen, dankzij de scanauto

De inzet van scanwagens is voor veel gemeenten erg lucratief. Daarmee weten ze de inkomsten uit de parkeerboetes met miljoenen omhoog te brengen. Dat blijkt uit een rondgang van het Algemeen Dagblad langs een aantal grote gemeenten, waaronder Amsterdam, Rotterdam, Tilburg, Utrecht en Den Haag.

Soms is het aantal parkeerboetes zelfs verdrievoudigd, zoals in Tilburg, omdat de pakkans met een efficiënte en snelle scanauto veel groter is dan wanneer de parkeerwachter te voet fout geparkeerde auto’s moet opsporen. Dat levert meer boetes op en dus ook meer geld. In Amsterdam is de inkomstenstijging goed te zijn, zo blijkt uit de cijfers die het AD opvroeg. In 2012, het laatste volledige jaar voordat de scanauto zijn intrede deed, inde de stad 157 miljoen euro aan parkeerboetes. In 2018 was dat bedrag opgelopen naar 216 miljoen euro.

Betalingsbereidheid

De overschakeling op digitaal parkeren is overigens voor veel gemeenten niet de enige factor die een rol speelt bij de inkomstenstijging uit parkeren. Ook de uitbreiding van het aantal zones waarin betaald moeten worden voor het parkeren, telt mee, maar de gemeenten denken dat de scanauto het meeste bijdraagt. Ook naheffingen leveren veel meer op dan voorheen. Daarnaast zou de bereidheid om te betalen groter worden, omdat bestuurders zich realiseren de kans minder groot is dat ze ongestraft wegkomen als er scanauto’s rondrijden.

Bron: Verkeerspro
Auteur: Yvonne Ton
Publicatie datum: Tue, 25 Jun 2019 08:57:59 +0000

‘Motorrijles geven is passie overbrengen’

Motorrijles geven vanuit een auto of vanaf de motor? Arjan Everink, hoofd afdeling Verkeer en Rijopleidingen bij motorrijdersvereniging KNMV heeft een duidelijke voorkeur: het tweede. Een instructeur kan zo niet alleen beter uitleggen, hij kan ook veel meer passie overbrengen. Vooral dat laatste moet je volgens hem niet onderschatten. Motorrijles geven, zegt hij, is passie delen.

Toegegeven, zegt Everink tijdens een workshop op de Nationale Rijschooldag in ‘s-Hertogenbosch: of je motorrijles geeft vanuit een auto of vanaf de motor is een kwestie van smaak. “In de wet staat niks over het voertuig dat moet volgen. Het kan een motor zijn, maar ook een auto. Wel belangrijk: je mag maximaal twee leerlingen tegelijk les geven.” Alle opties liggen open dus. En hij wil z’n mening niet opleggen aan de deelnemers, zegt hij met een lach. Maar zelf heeft hij duidelijke voorkeur voor het tweede. En hij heeft er goede argumenten voor.

Bijvoorbeeld: een leerling die z’n motorrijbewijs wil halen, is een heel ander type dan een leerling die auto wil leren rijden en beiden vragen om een andere aanpak. “Autorijden zit in onze cultuur. Mensen die motorrijles willen volgen, komen vanuit een hobby. Ze zijn ouder, zijn gemotiveerd, leergierig. Geef je ze huiswerk op, dan maken ze het ook echt. Waarom? Ze vinden het leuk om zich in de materie te verdiepen. Motorrijles geven is passie overbrengen. Van motorrijder tot motorrijden.”

Barbecue

Zo ontstaat, zegt hij, een band tussen instructeur, leerling en rijschool. “Heel anders dan bij autorijles: daar is het les, les, les, examen en klaar. Nee, er ontstaat echt iets moois.” Het is samen zeiknat worden tijdens een regenbui en het is dat gevoel van vrijheid dat je overal kunt komen. “En die verbondenheid’ kun je ook daarna voortzetten. Met een motortour bijvoorbeeld, of een barbecue. Ik ken een grote rijschoolhouder die ieder jaar met tachtig oud-leerlingen naar Duitsland afreist.”

Dat is veel meer dan in korte broek en op slippertjes achter een leerling aanrijden

Daarmee kan, nee, moet je je onderscheiden van de collega’s die in een auto achter hun leerlingen aanjakkeren, vindt Everink. “Als jij 45 euro per les vraagt, maar je collega die niet met de motor meerijdt ook, waarin verschil je dan voor de leerling?” Je moet, stelt hij, duidelijk maken waarom motorrijden zo leuk is, waarom anderen het ook moeten leren en dat je daar graag bij helpt. “Dat zie ik maar heel zelden.”

Korte broek

Daaruit voortvloeiend, zegt hij: motorrijders zijn voorbeelden voor leerlingen. “Kijk naar motoragenten: hoeveel mensen zeggen niet ‘kijk, die kunnen goed rijden’? Ze hebben een voorbeeldfunctie. Dat is veel meer dan in korte broek en op slippertjes achter een leerling aanrijden. Bovendien: er zijn er die zo ook demonstraties geven – hoogstens doen ze nog even een helm op. Maar hoe moet je dan aan je leerling verkopen een pak echt noodzakelijk is?”

Nee, zo lesgeven werkt niet, benadrukt hij. “Vanaf een motor kun je veel makkelijker een demo geven. Geef ik bij alles een demo? Nee, maar je kunt het spontaan even doen. De ene leerling heeft er meer behoefte aan dan de andere.” Hoe fijn is het niet, beschrijft hij, als kunt zeggen: kom maar even achter mij aanrijden, dan laat ik je zien wat ik doe, wat er op mij afkomt en wat ik denk – immers, je kunt met elkaar communiceren.

Botsing

Handig bij bijvoorbeeld filerijden. Motorrijders mogen tussen auto’s doorrijden, onder meer om de nare gevolgen van een kop-staart-botsing te voorkomen. Maar filerijden kan aan het begin een beetje eng zijn. Fijn dus om dat samen te kunnen doen.

Of het verschil in lesgeven zich ook terug te zien is in slagingspercentages? Dat weet Everink niet. Lastig te onderzoeken ook, zegt hij. “Maar ik denk wel dat bij leerlingen die door een instructeur op een motor begeleid worden, een stuk meer enthousiasme zit.”

Bron: Verkeerspro
Auteur: Jan Pieter Rottier
Publicatie datum: Wed, 26 Jun 2019 08:00:10 +0000